Blog door
Steven van Dort

Jip en Janneke in jargonland

Je kent ze wel. Mensen die urenlang en zeer gedetailleerd over een onderwerp kunnen praten. Zoals mijn oom Eduard die op elk familiefeestje een slachtoffer zoekt om zijn kennis over scheepsmotoren te spuien. Irritant? Zeker. Dit soort licht autistische, eenzijdige communicatie komt ook in de B2C- en B2B-wereld geregeld voor. Jargon noemen we dat. Advocaten en juristen zijn er heer en meester in. Een oplossing hebben we al: B1-communicatie. Ook wel Jip en Janneke taal genoemd. Maar niet iedereen past de regels even prettig leesbaar toe.

Zelf ben ik in 2007 in de wereld van eenvoudig taalgebruik gerold. De commotie rond woekerpolissen zorgde er destijds voor dat verzekeraars – in blinde paniek – al hun teksten in eenvoudige taal wilden herschrijven. Lees hoe a.s.r. een tweede B1-slag op haar website maakte. Er werden B1-regels vastgesteld en allerlei al dan niet commerciële B1-toetsen ontwikkeld. Een goede zaak, want dit heeft begrijpelijke communicatie in veel bedrijfstakken op de kaart gezet. De term Jip en Janneke doet echter terecht vermoeden dat niet iedereen er even blij mee is. Mensen voelen zich soms geschoffeerd. En dat begrijp ik als ik sommige teksten lees.

Pas B1 niet klakkeloos toe

De wereld van de heldere communicatie kun je grofweg in drie groepen indelen. De ‘zak er maar lekker in met je B1’, de B1-hardliners en de
gulden middenweg hanteerders. Zelf ben ik van de eerste, via de tweede bij de laatste groep uitgekomen. Van ontkennen, via stringent toepassen tot inzetten met beleid. Waarom? Het beste van twee werelden. Je boodschap komt wél aan, maar zonder dat iemand denkt dat de tekst eigenlijk voor iemand anders is. Zoals zijn of haar 8-jarig zoontje. Die zelfs eigenlijk al te oud is voor de belevenissen van Jip en Janneke.

Maar gebruik ook je gezonde verstand

Hoe dan wel? De meeste bestaande B1-regels zijn prima, mits je ze combineert met een dosis gezond verstand. Zo pak ik het aan:

  • Gebruik vooral woorden die veel voorkomen en niet te lang zijn. Maar ga ook niet een woord als beleggingsverzekering proberen te omschrijven als degene die het leest ooit zelf een dergelijke verzekering heeft afgesloten. Dat ziet er gekunsteld uit.
  • Spreek de taal van de lezer. Dat betekent dat je best jargon mag gebruiken als de lezer dat kent. Sterker nog: de doelgroep verwácht dat dan ook van je. Het woord dieselmotoremissie doet het gewoon goed bij scheepsmotorliefhebbers als ome Eduard.
  • Gebruik niet alleen maar korte zinnen. Dan loop je het risico dat een tekst erg staccato wordt en niet meer lekker leest. Wissel korte en iets langere zinnen met elkaar af zodat de tekst lekker heen en weer golft.
  • Maak geen blokken tekst zonder kop en staart. Schrijf korte alinea’s met één onderwerp en bedenk daar een kopje bij die de lading dekt. Een alinea van een regel of zeven is ongeveer de max.
  • Draai er niet omheen en vertel direct wat je wilt zeggen. Dat geldt sowieso voor alle teksten. Dus verstop je boodschap niet, maar begin ermee. En leg daarna uit waarom je die boodschap vertelt.

Zodat je je doelgroep wél bereikt

Kortom: een echte B1-master past de regels een beetje aan. Of in eenvoudig Nederlands: only a fool bends no rule. Want als je de regels zonder na te denken toepast, krijg je een tekst zonder ziel. Eentje die in sommige gevallen meer agressie dan sympathie oproept. Met als gevolg dat je de binding met je doelgroep juist verliest. Net zoals ik al jarenlang een blokje omga als ik mijn oom Eduard in het vizier krijg op familiefeestjes. Alhoewel ik twijfel of ik ooit tot zijn doelgroep behoorde, maar dat is weer een ander verhaal.